Eenendertig halve huizen op de fabrieksvloer
Een Brabants bedrijf bouwde prefab-woningen voor woningcorporaties en particuliere kopers. In vier jaar tijd vertienvoudigde de omzet. Toen kwam de klap.
Een fabriek voor huizen
Op een industrieterrein aan de westkant van Breda staat een fabriekshal die niet meer in bedrijf is. Tot eind maart 2026 werd hier iets bijzonders gemaakt: hele woonlagen, in de fabriek geassembleerd, klaar om in twee delen op een vrachtwagen te worden gezet en op een bouwplaats neergelegd. Wonen zoals je een auto bouwt — zo presenteerde het bedrijf het zelf. Een huis verlaat de fabriekshal in twee elementen, wordt op locatie gestapeld, en is dan klaar voor bewoning.
De methode had iets uit te leggen. Bij traditionele bouw staan timmermannen, metselaars, installateurs en stukadoors achter elkaar in de regen. Bij modulaire prefab gebeurt het overgrote deel onder dak, in een gecontroleerde omgeving, zonder vorst en wind. Het scheelt bouwtijd, het scheelt afval, en — volgens de marketing van het bedrijf — een kwart minder CO₂ per huishouden ten opzichte van een traditionele woning. Een Europese regionale subsidie ondersteunde de aanpak: het bedrijf werd erkend als pionier in koolstofarme modulaire woningbouw.
De vraag was er. Woningcorporaties zochten naar manieren om snel sociale huurwoningen te realiseren, gemeenten zochten ruimte voor herontwikkeling, particulieren wilden een betaalbaar huis. En het bedrijf had de fabriek staan, vlak naast de A16, klaar voor opschaling.
De groeicurve
Tot en met 2021 was de fabriek nog bescheiden. De omzet kwam dat jaar net boven de twee miljoen euro uit, en het bedrijf draaide verlies — bijna een half miljoen. Daarna ging het hard.
In drie jaar tijd vertienvoudigde de omzet. De productie liep op, woningcorporaties tekenden in op modulaire opdrachten, particulieren reserveerden hun huis. In 2024 stonden er vierenveertig mensen op de loonlijst, deels in de fabriek en deels op kantoor. De winst bleef dun maar positief: in 2024 ruim honderdvierenveertigduizend euro over op tweeëndertig miljoen omzet.
En toen kwam 2025. De omzet bleef ongeveer gelijk, op vijfendertig miljoen. Maar onder die omzet ontstond een gat. Het verlies dat jaar bedroeg, voorlopig vastgesteld door de curator op basis van de eigen administratie van het bedrijf, ruim tien miljoen euro. In één jaar.
Drie projecten op de werkvloer
Toen de rechtbank in Zeeland-West-Brabant op 17 maart 2026 het faillissement uitsprak, lag de fabriek niet leeg. In de hal stonden eenendertig deels afgemaakte woonmodules. Volgens het verslag waren ze oorspronkelijk bedoeld voor een woningcorporatie in Deurne — vijfentwintig driekamer-huurappartementen in houtskeletbouw, oplevering gepland voor het voorjaar van 2026. Dat is nu.
Op een tweede locatie, in Prinsenbeek aan de noordkant van Breda, lag een omgevingsvergunning klaar. Begin februari was die afgegeven voor vijftien woningen aan een straat in het dorp. De huizen waren grotendeels al toegewezen aan kopers — particulieren die hun woning hadden gereserveerd. De plaatsing stond gepland voor oktober, de oplevering eind 2026. Eerder al, in 2021 en 2023, had het bedrijf in dezelfde plaats succesvol een appartementencomplex en zestien eengezinswoningen opgeleverd.
En dan was er Sint-Oedenrode, in het zuidoosten van Noord-Brabant. Daar, aan een plein dat vernoemd is naar een vroegere bisschop, staat een kerk uit 1966. Een modernistisch gebouw van baksteen, beton, hout en staal, met een losstaande klokkentoren op vier betonnen pijlers. Een rechthoekige plattegrond, een plat dak, drie banken-secties rond een altaar, en een aangrenzende pastorie met binnenplaats. Sinds april 2014 wordt er geen mis meer gehouden. In 2016 werd het pand gemeentelijk monument.
Het parochiebestuur zocht een passende nieuwe bestemming, en die kwam: het kerkgebouw, het parochiehuis en de pastorie zouden worden omgebouwd tot een complex van zorgwoningen voor ouderen — voor mensen met dementie, om precies te zijn — met daaromheen een aantal sociale huurwoningen. De woonruimtes zouden komen op de plek waar nu nog de banken staan. Voor het project werd een vof opgericht — een samenwerking tussen het Bredase bedrijf en een Brabants aannemingsbedrijf. Voor de woningen werd een intentieovereenkomst getekend met een lokale woningcorporatie. Het bedrijf nam een hypothecaire lening op het pand.
Kopers in Prinsenbeek, huurders in Deurne, toekomstige zorgbewoners in Sint-Oedenrode. Drie groepen mensen, drie projecten, één failliete fabriek.
Wat eraan voorafging
Het bestuur heeft tegenover de curator één hoofdoorzaak genoemd: groei zonder kapitaal. In de pers werd het scherper geformuleerd: het bedrijf groeide snel, maar financierde die expansie grotendeels met leningen. Toen de leningen vol raakten en de marges niet meegroeiden, was er geen ruimte meer.
Het patroon is bekend in de bouw. Bij elk project moet je grondstoffen inkopen, voorraad opbouwen, mensen betalen. Pas aan het eind, bij oplevering, komt het geld binnen. Hoe groter het project, hoe groter het werkkapitaal dat je nodig hebt om die periode te overbruggen. Bij modulaire prefab is dat probleem zo mogelijk nog scherper: je moet hele woonlagen produceren en bewaren in een fabriek voordat ze naar de bouwplaats kunnen. Het ziet eruit als efficiënt — alles onder dak, gestandaardiseerd, snel — maar het vraagt vooraf veel kapitaal. En als alle marges al beklemd zitten door inkoopprijzen, lonen en energiekosten, dan kunnen tegenvallers niet meer worden opgevangen.
Bij dit bedrijf kwam daar nog iets bij. De verhuurder van de fabriekshal had vóór het faillissement al een ontruimingskortgeding aangespannen. Die procedure werd ingetrokken nadat de rechtbank het faillissement uitsprak, maar het ondertekent dat de huur een tijd niet meer betaald werd. De huurovereenkomst loopt op 18 juni 2026 af. Dan moet de hal leeg zijn.
Wat de curator aantrof
De curator heeft in de eerste verslagperiode iets meer dan tweehonderd uur aan het dossier besteed. Op 18 maart 2026, één dag na het faillissement, werden alle vierenveertig medewerkers ontslagen, met machtiging van de rechter-commissaris en met de kortst mogelijke opzegtermijn. Het uwv nam de loongarantie over.
De rechter-commissaris stelde op 25 maart een afkoelingsperiode van twee maanden in. Dat geeft de curator ruimte om zonder druk van losstaande crediteuren te onderzoeken of er een doorstart mogelijk is.
In die afkoelingsperiode liep ondertussen iets opmerkelijks. Een voormalig bestuurder van het bedrijf dagvaardde de curator zelf in kort geding. Wat de inzet van die procedure precies is, vermeldt het verslag niet. Wel: dat de vordering van die voormalige bestuurder voorlopig is erkend. Het kort geding loopt nog.
De huisbankier meldde zich met een pandrecht op de bedrijfsmiddelen, voorraden en vorderingen. De voorraad bedrijfsmiddelen omvat onder meer kantoorinventaris, gereedschappen, een bovenloopkraaninstallatie en acht mobiele hefkolommen — waarmee de woonmodules werden vervoerd binnen de fabriek. Hoeveel die zaken bij verkoop opbrengen, is nog niet bekend.
De rekening tot nu toe
De Belastingdienst heeft tot dusver een vordering ingediend van iets meer dan twee miljoen euro. Andere preferente schuldeisers zijn samen goed voor een kleine vierduizend.
De concurrente crediteuren — leveranciers, dienstverleners, opdrachtnemers — zijn talrijk en groot: tweeënvijftig partijen hebben zich gemeld, voor een gezamenlijk bedrag van bijna acht miljoen euro. De huisbankier heeft daarbovenop nog een eigen positie als pandhouder.
Het boedelsaldo, het bedrag waarover de curator op dit moment kan beschikken om de afwikkelingskosten te dekken, staat op zevenduizend euro.
De open vragen
Het verhaal is op dit moment vooral een verhaal van wachten.
In Deurne wacht een woningcorporatie die haar toekomstige huurders al had laten weten dat hun appartementen er voorjaar 2026 zouden zijn. Of de eenendertig modules in de Bredase hal — die deels al naar Deurne hadden moeten reizen — alsnog hun bestemming bereiken, hangt af van het overleg tussen de curator en de corporatie. De vraag wie eigenaar is van de modules zoals ze nu in de fabriek staan, is daarbij niet triviaal.
In Prinsenbeek wachten vijftien particuliere kopers. Hun grond ligt klaar, de vergunning is afgegeven, de huizen waren ingepland voor oktober. De curator heeft laten weten dat hij de uitkomst nog niet kan inschatten — een inventarisatie is nog gaande. Of er een doorstartende partij is die de productie overneemt en de huizen alsnog levert, of dat de kopers naar een andere bouwer moeten zoeken, blijft voorlopig open.
In Sint-Oedenrode wacht een kerk. Voor het pand loopt een hypotheek; over de afhandeling daarvan is de curator in overleg met de hypotheekhouder en met het Brabantse aannemingsbedrijf dat als medevennoot in de vof zit. De plannen voor het zorgcomplex met sociale huurwoningen lagen klaar — wat ervan terechtkomt, hangt af van de partijen die overblijven.
Daarnaast onderzoekt de curator de gebruikelijke vragen: of de boekhouding op orde was, of de jaarrekeningen tijdig zijn gedeponeerd, of er in de periode voorafgaand aan het faillissement transacties hebben plaatsgevonden die nu teruggedraaid kunnen worden. En wat er precies achter de vordering zit van de voormalige bestuurder die zijn eigen oud-werkgever via de curator aanspreekt.
Het volgende verslag staat ingepland voor 17 juli 2026.
Het dossier loopt nog. In een Bredase fabriekshal staan eenendertig woonmodules op de vloer. Eind juni moet de hal leeg zijn.
Dit dossier loopt nog
Zolang het faillissement niet is afgerond, verschijnen er nieuwe verslagen van de curator. Op FaillissementAlert.nl kun je dit dossier volgen en alle openbare stukken inzien.
Volg dit dossier op FaillissementAlert.nl