
Een familielening, drie maanden voor de val
Een externe directeur moest de staalbouwer redden. Vier maanden later vielen twee zusterbedrijven op dezelfde dag — met een omstreden lening van de eigen familie op de valreep.
Aan de rand van een Kempisch dorp in Noord-Brabant staat een hal waar bijna dertig jaar lang staal werd gebogen, gelast en tot gevels en dakconstructies gevormd. Een steenworp verderop, op hetzelfde industrieterrein, stond een zusterbedrijf dat het ruwe materiaal verwerkte. Twee bedrijven, één familie, één adres — tot ze op dezelfde dag in mei 2026 allebei failliet werden verklaard.
De onderneming die hier centraal staat hield zich bezig met burgerlijke en utiliteitsbouw en de vervaardiging van metalen constructiewerken: staalbouw voor bedrijfshallen, dakconstructies en gevels. Het soort werk dat je overal in het land tegenkomt zonder er ooit bij stil te staan — de draagconstructie achter een nieuwe supermarkt, het dak van een distributiecentrum, de staalskeletten die andere aannemers vervolgens dichttimmeren. Negenentwintig mensen werkten er, tot de curator hen begin juni met toestemming van de rechter-commissaris moest ontslaan.
Op papier was er weinig aan de hand dat een buitenstaander direct achterdochtig zou maken. Geen haastige oprichting, geen dubieuze constructie, geen snelle groei die niet houdbaar bleek. Alleen een bedrijf van bijna drie decennia oud, met een omzet in de miljoenen, dat volgens de eigen jaarcijfers al vier jaar op rij verlies draaide — en waarvan het laatste hoofdstuk zich grotendeels binnen de eigen familie afspeelde.
De opbouw
Het bedrijf was geen doorsnee startup die te snel wilde groeien. Het bestond al bijna drie decennia en draaide een omzet die de afgelopen jaren tussen de drie en zes en een half miljoen euro schommelde. Achter de onderneming zat een gelaagde familiestructuur: een beheer-vennootschap als bestuurder en aandeelhouder, daarboven een holding, en daarboven weer een stichting-administratiekantoor. Twee bestuurders — beiden uit de oprichtersfamilie — stonden aan het hoofd van het geheel.
Maar de cijfers vertelden al jaren een ander verhaal dan de familiegeschiedenis. In 2023 werd nog een bescheiden verlies van ruim zeventigduizend euro geleden, op een omzet van bijna zes miljoen. In 2024 liep dat verlies op tot bijna een miljoen euro. In 2025 — met een omzet van ruim zes en een half miljoen euro, het hoogste van de vier jaar — werd het verlies nog groter: 1,58 miljoen euro. Vier jaar op rij rood, ondanks een omzet die allesbehalve klein was. Meer omzet leidde niet tot meer marge; het lijkt eerder andersom te hebben gewerkt, alsof groei de onderliggende problemen alleen maar groter maakte.
Dat is meteen wat dit dossier onderscheidt van veel andere faillissementen die hier voorbijkomen. Geen jonge onderneming die de eerste tegenslag niet overleefde, maar een gevestigde speler met bijna dertig jaar historie, een bekende naam in de regionale bouw, en een balans die tot voor kort nog boven de twee miljoen euro uitkwam. Bedrijven met die geschiedenis gaan zelden in één klap onderuit — meestal is er een lange aanloop van verliesjaren die de familie, de bank en de bedrijfsleiding liever binnenskamers houden dan naar buiten brengen. Hier duurde die aanloop kennelijk vier jaar.
Wat er misging
Volgens de bestuurders kwam het door een optelsom van een teruglopend en te laag omzetvolume, te lage gecalculeerde marges en te hoge overheadkosten — precies het soort verklaring die bij elk faillissementsverslag terugkeert, maar die hier al sinds 2023 zichtbaar was in de jaarcijfers zonder dat het tij keerde. Het is de klassieke knijp van een bouwbedrijf dat wél opdrachten binnenhaalt maar er per project te weinig aan overhoudt: de omzet blijft binnenstromen, de marge lekt weg, en de vaste kosten van personeel, materieel en een bedrijfspand blijven ondertussen gewoon doorlopen.
In 2024 haalde de familie er daarom een externe directeur bij. Iemand van buiten de eigen kring, aangetrokken om de organisatie te saneren en de neerwaartse spiraal te doorbreken — een stap die veel familiebedrijven in dit soort omstandigheden zetten, en die evenveel zegt over het vertrouwen in de eigen bestuurders als over de ernst van de situatie. Het mocht niet baten: in april 2026, twee jaar na zijn aantreden en nog geen twee maanden voor het faillissement, werd de externe directeur op non-actief gesteld. Wat er in die twee jaar precies is geprobeerd, en waarom het niet werkte, meldt het verslag niet — dat is voer voor een volgend hoofdstuk in dit dossier, mocht de curator het onderzoeken. In mei 2026 besloten de aandeelhouders zelf het faillissement van beide vennootschappen aan te vragen, nog voor er een schuldeiser aan de bel hoefde te trekken.
Externe directeur aangetrokken om het tij te keren, na een substantieel verlies
Een lid van de bestuurdersfamilie verstrekt in twee tranches in totaal € 750.000 aan financiering, met een claim op pandrecht
De externe directeur wordt op non-actief gesteld
Beide zustervennootschappen worden op dezelfde dag failliet verklaard
29 werknemers ontslagen, met toestemming van de rechter-commissaris
Wat de curator aantrof
Het meest opvallende detail in het eerste verslag betreft niet de bedrijfsvoering, maar de financiering in de laatste maanden voor de val. In december 2025 en februari 2026 — dus vlak voordat de externe directeur op non-actief werd gesteld en het faillissement volgde — verstrekte een van de bestuurders, in privé, in totaal 750.000 euro aan de onderneming. Voor die financiering claimt de bestuurder nu een pandrecht op de voorraden en op de vorderingen op debiteuren. De curator heeft die claim in onderzoek: was dit een reddingspoging van de familie, of een manier om vlak voor de klap alsnog zekerheid te vestigen op wat er nog restte? Het antwoord bepaalt wie straks het eerst wordt betaald uit de boedel — de bestuurder die het geld inlegde, of de zevenenvijftig andere schuldeisers die achteraan moeten aansluiten.
Twee data springen daarbij in het oog. December 2025 en februari 2026 liggen niet toevallig vlak voor het moment waarop de externe directeur op non-actief werd gesteld. Wie de tijdlijn naast elkaar legt, ziet een bedrijf dat intern al wist dat het misging, terwijl naar buiten toe de indruk bleef bestaan van een saneringstraject dat nog liep. Dat is geen vaststaand feit — het is precies het soort patroon waar de curator nu naar kijkt.
Ondertussen bleek ook de verhouding tussen de twee zusterbedrijven weinig formeel geregeld. Het bedrijfspand aan de Industrieweg werd gehuurd van de eigen beheer-vennootschap — maar zonder schriftelijke huurovereenkomst. Hetzelfde gold voor het machinepark: ook daarvoor ontbrak een schriftelijk contract. De curator moest de overeenkomsten “voor zoveel nodig” opzeggen, bij gebrek aan een stuk om op te zeggen. Ook de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering bleek niet op naam van de onderneming zelf te staan, maar op naam van het zusterbedrijf, met deze vennootschap als medeverzekerde — weer een aanwijzing dat de twee bedrijven in de praktijk als één geheel functioneerden, ook al waren het juridisch gescheiden entiteiten.
Verder trof de curator een omvangrijke voorraad gereed en bijna gereed product aan, plus te bewerken staal waarop leveranciers een eigendomsvoorbehoud claimden. Diverse staalleveranciers meldden zich, sommigen riepen naast het eigendomsvoorbehoud ook een reclamerecht in — het recht om geleverde maar nog niet betaalde goederen terug te vorderen. Een deel van dat staal is inmiddels teruggegeven aan de leveranciers die het claimden.
In de weken na het faillissement zijn, in overleg met de vermeende pandhouder, voorraden alsnog gefactureerd en geleverd aan opdrachtgevers: dat leverde ruim 285.000 euro op, gestort op de boedelrekening in afwachting van de uitkomst van het pandrecht-onderzoek. Blijkt het pandrecht rechtsgeldig, dan gaat dat geld — onder aftrek van een nog af te spreken boedelbijdrage — naar de bestuurder die de lening verstrekte. Blijkt het dat niet, dan valt het in de gezamenlijke boedel voor alle schuldeisers. Twee lopende projecten werden nog kort afgemaakt, goed voor nog eens 181.500 euro aan omzet uit de korte voortzetting. Een doorstart van de onderneming als geheel kwam er niet: er was overleg met één geïnteresseerde partij, maar dat leidde niet tot afspraken.
Voor de negenentwintig werknemers betekende dit alles vooral wachten. De curator hield een bijeenkomst met het personeel, onderhield contact met het UWV en de vakbond, en zette de loongarantieregeling in werking — de gebruikelijke route waarlangs achterstallig loon, vakantiegeld en de opzegtermijn via het UWV worden gedekt in plaats van uit de lege kas van de failliete onderneming zelf.
De schade tot nu toe
Op de debiteurenlijst stond nog 667.422 euro open. Een deel daarvan — ruim 151.000 euro — is na de faillissementsdatum alsnog op de bankrekening van de onderneming binnengekomen; de curator is van mening dat daarmee een eventueel pandrecht op die betalingen is vervallen. Zevenenvijftig schuldeisers hebben zich inmiddels gemeld, voor een bedrag van bijna 1,8 miljoen euro dat voorlopig is erkend, plus nog eens ruim 247.000 euro dat wordt betwist — vijf van die vorderingen worden door de curator nog betwist. Daarnaast is nog een boedelvordering van ruim 14.000 euro ingediend wegens huur, en een kleine preferente vordering voor accijns. De fiscus en het UWV hadden bij het opstellen van het verslag nog geen vordering ingediend, wat betekent dat het totale schuldbedrag naar verwachting nog verder oploopt.
De boedel had bij het opstellen van het verslag ruim 744.000 euro in kas: het creditsaldo van de bankrekening bij Rabobank op de faillissementsdatum, aangevuld met de opbrengst van de voortzetting, de voorraadverkoop en de binnengekomen debiteurenbetalingen. Een aanzienlijk bedrag voor een faillissement in dit stadium — maar een bedrag waarvan een substantieel deel op de tocht staat zolang niet vaststaat of het pandrecht van de bestuurder rechtsgeldig is. Wordt het pandrecht erkend, dan verdwijnt een groot deel van die 744.000 euro naar de lenende bestuurder in plaats van naar de gezamenlijke boedel voor de 57 schuldeisers.
De open vragen
Het rechtmatigheidsonderzoek staat nog aan het begin: of aan de boekhoudplicht is voldaan, wordt nog beoordeeld, en de curator kijkt ook naar mogelijk paulianeus handelen. Beide onderzoeken zijn op dit moment nog niet meer dan dat — onderzoeken, zonder vastgestelde uitkomst. Maar de kernvraag die dit dossier draagt is een andere, en die staat los van de vraag of er uiteindelijk onregelmatigheden worden vastgesteld: was de familielening van 750.000 euro, verstrekt in de laatste maanden voor het faillissement, een oprechte poging om het bedrijf overeind te houden — of een manier om alvast zekerheid te claimen op de voorraden en vorderingen voordat de rest van de schuldeisers in de rij stond?
Het antwoord raakt niet alleen de portemonnee van de 57 erkende en betwiste schuldeisers. Het raakt ook de vraag hoe een familiebedrijf van bijna dertig jaar oud zijn laatste maanden inricht: met open vizier tegenover de buitenwereld, of met de reflex om eerst de eigen belangen veilig te stellen. Het volgende verslag, verwacht in oktober 2026, moet daar meer duidelijkheid over geven — net als over het lot van de zustervennootschap die op dezelfde dag ten onder ging.
Dit dossier loopt nog
Zolang het faillissement niet is afgerond, verschijnen er nieuwe verslagen van de curator. Op FaillissementAlert.nl kun je dit dossier volgen en alle openbare stukken inzien.
Volg dit dossier op FaillissementAlert.nl